
In de bezinning die vicaris Joris De Jonghe uitsprak tijdens het Te Deum op 21 juli 2026 in de Sint-Baafskathedraal raakte hij de kern van wat het House of Compassion wil zijn. We geven daarom graag de integrale tekst mee.
We hoorden een bekende gelijkenis van Jezus.
De gelijkenis van de werken van barmhartigheid spreekt aan, door de eenvoud en door de nadruk die er wordt gelegd op het doen. Het criterium om toegelaten te worden tot de rechterzijde van de koning is niet of je je catechismusles op kunt zeggen, of je de juiste antwoorden weet op theoretische geloofsvragen. Nee, de maatstaf is wat je voor de geringste van mijn broeders of zusters hebt gedaan, om de woorden van de koning in de gelijkenis aan te halen. Het verschil wordt gemaakt door wat je voor een ander doet of nalaat te doen.
Jezus vertelt geen gelijkenissen om mensen angst aan te jagen, maar wel om ons scherp te houden. De gelijkenis gaat over de komst van de Mensenzoon, maar dat betekent niet per se dat je dat moet verleggen naar de verre toekomst. Het is geen gelijkenis over ooit, straks, aan het einde. Nee, het is een verhelderende vergelijking die je betrekt bij wat je nu en hier te doen staat.
Jezus vertelt gelijkenissen om ons bij de zaak te houden, om ons uit te dagen onze keuzes te maken, om er iets mee te doen in je eigen leven. Daar gaat een zekere urgentie van uit. Gelijkenissen zijn geen vrijblijvende verhaaltjes. Ze appelleren aan ons, doen een beroep op onze respons.
Wat opvalt is dat de mensen die voor de koning staan eigenlijk niet weten wat ze doen. Dat betekent, dat wat ze doen, doen ze vanuit een soort onbewuste impuls. Daarom ook hun verwondering: “Wanneer hebben wij u hongerig gezien en u te eten gegeven of dorstig en u te drinken gegeven?” Ze doen het niet ergens om. Niet om op een goed blaadje te komen. Je kan zeggen dat ze zich van geen goed bewust zijn. Ze handelen vanuit een spontane neiging, een oorspronkelijke bron.
De gelijkenis wijst een richting. De richting van het humane, van dat wat ieder mens voor een ander zou kunnen betekenen. Van dat wat jij graag zou willen dat anderen voor jou betekenen. De richting van de menselijkheid die we allemaal met elkaar gemeen hebben en waar je zelfs niet christelijk voor hoeft te zijn.
In de gelijkenis gaat het om heel gewone, dagelijkse dingen: dat wat je doet voor een medemens in nood. Nood die materieel is, elementair: brood, water, kleding, onderdak.
Maar zoals altijd zitten er in zo’n Bijbelverhaal meerdere lagen. Naast het materiële is er ook het spirituele niveau. En dan keren al die werken van barmhartigheid op een andere manier terug. Brood, dat is ook: datgene waar je van leeft. Een mens leeft niet van brood alleen; voedsel voor de ziel.
De dorstige te drinken geven, dat is ook: water putten uit de levensbron. Waar put je uit? Wat lest jouw dorst? Waar vind je levend water.
Zo geldt het ook voor de overige zaken die hier worden genoemd. Je kunt naakt in de wereld staan. Zonder bescherming. Blootgesteld. Waar vind je beschutting? Waarmee kun je je kleden? Wat geeft warmte en wat geeft bescherming?
De vreemdeling huisvesten. Wie kan zeggen dat hij werkelijk thuis is? Wie kan claimen dat dit stukje aarde hem alleen toebehoort?
Dat zijn de zaken die er uiteindelijk toe doen. De daden van medemenselijkheid, van barmhartigheid om dat kerkelijk woord te gebruiken, maar is het niet gewoon humanitaire hulp? Wat is gewoon?
Altijd weer bij deze gelijkenis voel je het wringen. Het contrast tussen dat wat eigenlijk heel vanzelfsprekend zou moeten zijn. De gewone menselijke daden van meelevendheid, van aandacht en zorg voor de kwetsbaren, voor de vergeten mensen. Er wordt niets bovenmenselijks van ons gevraagd; alles wat hier staat kan iedereen doen, zonder vooropleiding, je hoeft er niet rijk voor te zijn of bijzonder getalenteerd. Nee, je eten en drinken delen met elkaar, iemand helpen die zelf geen kleding of onderdak heeft, aandacht voor de zieken, de gevangenen; iedereen kan het. En toch, en dat is waar het wringt: het lukt ons vaak zo slecht, of maar zo half.
In de werken van barmhartigheid gaat het over wat de ene mens voor de ander kan doen. Het is intermenselijk, persoonlijk, van aangezicht tot aangezicht, het is de menselijke maat.
De gelijkenis appelleert heel persoonlijk aan wat je kan doen, aan de keuzes die je maakt. En de onderliggende boodschap is dat jouw keuze een wereld van verschil kan maken.
Tegelijk gaat het over een gedeelde verantwoordelijkheid, die zich manifesteert op het meer dan persoonlijke niveau.
Het gaat ook over hoe wij, met elkaar, een samenleving inrichten. Over hoe de maatschappij is georganiseerd en hoe ons economisch systeem in elkaar steekt.
Als je dat buiten beschouwing laat, en ja, daar wordt het ingewikkeld van, maar als je dat er niet bij betrekt, dan wordt zo’n gelijkenis heel makkelijk een moralistisch lesje, beperkt tot het individuele perspectief. En kan het zelfs zo gaan werken, dat het een excuus wordt om werkelijke rechtvaardige veranderingen niet na te streven.
Barmhartigheid is meer dan liefdadigheid. Het is verbonden met het bijbelse begrip van rechtvaardigheid, dat ziet op de goede verhoudingen, op het eerlijke samenleven. Als dat er niet bij betrokken wordt, dan blijven we steken in pleisters plakken zonder de structurele oorzaken aan te pakken.
Nu weten we heel goed, dat we in een verzorgingsmaatschappij leven waarin heel veel is bereikt. Maar ook in ons welvarende land, wordt er op heel wat basisscholen ontbijt geserveerd, omdat kinderen dat thuis niet meer krijgen. In ons land worden inkomensverschillen groter, zijn er steeds meer mensen/gezinnen die nauwelijks rond kunnen komen ook al hebben ze een betaalde baan. Ook in ons welvarende land bestaan er Voedselbanken en tal van sociale diensten waarop velen zijn aangewezen voor basisbehoeften. Ze zijn zelfs vanzelfsprekend geworden en overheden rekenen er al op dat andere organisaties in de gaten springen die bestaan.
Ik wil deze beschouwing bij de gelijkenis besluiten met een citaat uit de recente encycliek Magnifica humanitas (schitterende mensheid) van paus Leo. Aan het einde wijst hij op de noodzaak om te werken aan een beschaving van de liefde, waarvan zowel de individuele verantwoordelijkheid als de maatschappelijke structuren, de dragende componenten zijn:
“Toen de heilige Paulus VI de uitdrukking “de beschaving van de liefde” bedacht, bevond de wereld zich midden in de Koude Oorlog, een wapenwedloop en ernstige economische instabiliteit. In die context stelde de Kerk een alternatief voor op de ideologische tegenstelling tussen systemen, en streefde zij naar een sociale orde waarin rechtvaardigheid en naastenliefde met elkaar verweven zijn en liefde het leidende principe wordt van het economische, politieke en culturele leven. Vandaag moeten we deze visie vastberaden herwinnen, want de beschaving van de liefde is geen naïeve utopie, maar een veeleisend project, dat erin bestaat naastenliefde om te zetten in structuren van rechtvaardigheid, broederschap een institutionele vorm te geven en anderen – of het nu individuen of volkeren zijn – te beschouwen als bondgenoten die nodig zijn voor de opbouw van het algemeen welzijn. …”
